Herfst 2010
14. Nieje Naobers
Wat vooraf ging...
Fleur (38), haar man Enno (41) en hun vier kinderen (Koen 13, Roos 11, Tim 8 en Juul 5) zijn onlangs van Amsterdam naar een klein dorp op het platteland verhuisd. Voor zijn werk is Enno het grootste deel van zijn tijd in het westen. Hij is advocaat en gespecialiseerd in echtscheidingen. Chantal, één van Fleurs vriendinnen uit Amsterdam logeert tijdelijk bij de familie, omdat ze problemen heeft met haar man Maurice. Chantal is net terug uit het ziekenhuis. Ze was opgenomen, omdat ze is neergeslagen door een onbekende. De grote vraag die de politie nog niet kan beantwoorden is: Wie was de insluiper en had hij het op Chantal gemunt? Fleur krijgt de laatste tijd vreemde post, bestemd voor ene Van Zanten. Het eerste pakketje bevatte hennepzaadjes. Wat staat er in de brief die Fleur net heeft gekregen? Heeft de belager van Chantal mogelijk iets met de post te maken?
leur ploft op de bank. Barstende hoofdpijn! In de keuken staat Chantal zingend één van haar befaamde lasagnerecepten te maken. Sinds ze haar meiden aan de telefoon heeft gehad, is ze weer helemaal in haar hum. Maurice heeft beloofd het weekend over te komen met hun dochters. Ze hebben volgende week vakantie. Nóg meer kabaal in huis. Natuurlijk kon Fleur niet weigeren toen Chantal vroeg of haar tweetal ook mocht blijven slapen. ‘Maurice moet maar een hotel pakken’, had ze eraan toegevoegd. Samen met hem onder één dak, daar had haar vriendin duidelijk nog geen zin in. Wat zou er toch zijn voorgevallen, daar in Amsterdam? Wie weet kwam ze daar in het weekend achter. Voorzichtig haalt Fleur de brief die ze buiten snel heeft weggemoffeld uit haar broekzak. Hij is helemaal verkreukeld. ‘Aan de heer van Zanten’ staat er met koeienletters op getypt. Met bevende vingers probeert ze de enveloppe los te peuteren. Geen zaadjes deze keer, alleen een brief. Als ze hem openvouwt, dansen dreigende krantenletters voor haar ogen. JE FLEST DE BOEL! IK HOUD JE IN DE GATEN! VOOR JE HET WEET IS HET PANG! Fleur slikt. Wat is dít? Wie flest de boel? En wie houdt wie in de gaten? Keer op keer herleest ze de regels. Dit is een serieus dreigement. In haar broekzak trilt
haar mobieltje. ’t Is Florian. ‘Hoi’, fluistert Fleur en in een reflex stopt ze de brief ver weg, in een spleet in de bank. Belachelijk en onnodig natuurlijk, want Florian kan haar natuurlijk niet zien zitten door de telefoon. ‘Heb je de brief al geopend?’, vraagt Florian nieuwsgierig. ‘Ja, euh, ’t is…’ Fleur twijfelt of ze de inhoud van déze brief wel wil delen met haar buurman. Haar besluit staat eigenlijk al vast: ze moet ermee naar Van Beveren, de rechercheur, en hem de zaak laten oplossen. Aan de andere kant van de lijn dringt Florian aan. ‘Hè, toe nou Fleur. Doe niet zo flauw. Ik zit in hetzelfde schuitje als jij. Ik heb nota bene dat eerste pakketje met zaadjes hier achter in de tuin begraven.’ ‘Wát heb je gedaan?’, vraagt Fleur, ineens een en al aandacht. ‘Ik heb het pakketje met hennepzaadjes, bestemd voor de heer van Zanten, achterin de tuin begraven. Ik wil er niks mee te maken hebben. Niemand hoeft erachter te komen dat ik dat pakje heb opengemaakt en in mijn bezit heb. Daarom heb ik het verstopt. Bewijs wissen heet dat’, zucht Florian. Fleur knikt en gaat dan overstag. ‘Het zijn geen zaadjes deze keer.’ ‘O’, zegt Florian. Hij klinkt enigszins teleurgesteld. ‘Wat dan wel?’ Fleur haalt diep adem. Ze twijfelt nog steeds. Misschien is het toch beter dit geheim met niemand te delen en gewoon naar de politie te stappen. Dit is niet zomaar een lullig briefje. Het dreigement dat erin staat boezemt haar angst in. Oké, de brief is misschien niet voor haar bestemd, maar wel naar háár adres gestuurd. ‘Fleur ben je er nog?’, vraagt Florian vriendelijker. Dan floept ze het er toch uit: ‘Het is een dreigbrief.’
Gulzig schrokt Enno de lasagne naar binnen. ‘Heerlijk Fleur!’, lacht hij. Fleur glimlacht zuinig met hem mee. Dan wijst ze naar haar vriendin. ‘Alle eer voor Chantal. Zij heeft zich vandaag uitgesloofd om er iets lekkers van te maken.’ Enno kijkt naar Chantal. Die vertelt enthousiast dat haar dochters haar komen opzoeken, aanstaand weekend. In Enno’s ogen ligt een zachte uitdrukking. Het is een blik die Fleur kent en die haar jaloers maakt. ‘Fijn voor je, Chantal, dat je dochters komen. Wie weet komt het tussen jou en Maurice ook weer goed. Misschien moeten jullie zaterdagavond samen gaan eten bij Het gouden hert’, stelt Enno voorzichtig voor. Chantal lacht en knikt voorzichtig. ‘Goed idee, maar alleen als jullie ook meegaan.’ Alsof het afgesproken is, kijken Chantal en Enno in Fleurs richting. Die mompelt wat over lastig, oppas zoeken en een poging doen. Dan schiet Fleur ineens te binnen dat rechercheur van Beveren Enno nog wilde spreken. Iets scherper dan nodig vraagt ze: ‘Heeft de politie jou nog gebeld?’ Quasi-nonchalant veegt Enno zijn mond af met een servet en legt het doekje op tafel. Dan kijkt hij vragend naar Fleur. ‘Politie? Moeten ze mij hebben dan?’ Fleur voelt een lichte irritatie opborrelen. ‘Ja, Van Beveren is aan de deur geweest. Hij heeft iedereen gesproken, behalve jou.’ Meteen kijkt Fleur in de richting van Chantal. ‘En jij gaat morgenvroeg naar het bureau om te praten, anders heb ik die lui weer op de stoep staan. Trouwens, als je zelf niet gaat, komen je ze halen. Daar dreigde Van Beveren vanochtend mee, toen ik van jou moest zeggen dat je rust nodig had. Dat doe ik niet nog eens, Chantal. Je zorgt maar dat je er morgenvroeg zit. Er wordt al zoveel gekletst in het dorp.’
Chantal en Enno kijken elkaar aan en proesten het ineens uit. ‘Ja, maak er maar een lolletje van. Doe maar net of er niks aan de hand is. Zo leuk is het anders niet.’ Enno haalt z’n schouders op. ‘Joh, er is niks aan de hand. Iemand wilde hier inbreken, maar stuitte op Chantal. Godzijdank is ze er goed vanaf gekomen. Het liefste wat zij wil, is het afsluiten. Er niet meer aan denken. Of niet Chantalletje?’ Fleur, laat het verder rusten. Er zitten nieuwe en nog betere sloten op de deur. Het beveiligingssysteem is gemaakt en het is de bedoeling dat je dat ook instelt, als je weggaat. Leg het naast je neer en ga verder met je leven.’ Makkelijker gezegd dan gedaan, denkt Fleur. ‘Er zijn geen braaksporen gevonden’, herinnert Fleur zich ineens. Ze kijkt in de richting van Chantal. Deze verslikt zich bijna in de lasagne en legt demonstratief haar bestek neer. ‘Wat wil je daarmee suggereren, Fleur? Dat ik die vieze vent zelf heb binnengelaten? Dacht het niet. Ineens stond hij voor mijn neus, daarna weet ik niks meer. Jij zult zelf de deur wel niet goed achter je dichtgedaan hebben. Weet je dat ik tegenwoordig elke ochtend controleer of alles wel goed dicht zit, als jij de kinderen naar school brengt?’ Fleur slikt. Zoveel frustratie kent ze niet van Chantal. Ze ziet vanuit haar ooghoeken dat Enno zijn hand op die van Chantal legt. ‘Rustig maar, meisje’, zegt hij, ‘natuurlijk heb jij die engerd niet binnengelaten. Je bent toch niet gek!’ Lekker dan, denkt Fleur; nu is het zeker ineens háár schuld dat Chantal is neergeknuppeld. Stilte. De kinderen, die wel in de gaten hebben dat er spanning in de lucht hangt, maken snel van de gelegenheid gebruik. ‘Mogen we van tafel?’, vraagt Koen. Enno knikt. Chantal staat demonstratief op en vertrekt samen met de kinderen naar boven. Enno kijkt naar Fleur. ‘Moest dat nou? Ze heeft het al zo moeilijk. Is er eindelijk een dag waarop ze het weer even ziet zitten, boor jij met je slimme speurdersopmerkingen al het positieve de grond in. Solliciteer bij de recherche. Daar kunnen ze je vast goed gebruiken.’ Voordat Fleur kan protesteren, beent Enno weg. ‘Verdomme’, vloekt Fleur. Ze voelt zich plotseling moe en onbegrepen. Dat Enno de laatste tijd kil tegen haar doet, was al langer duidelijk. Maar dat hij nu openlijk partij kiest voor haar vriendin is stuitend. Dat hoeft ze niet te pikken. De voordeur zat op de dag van de insluiping gewoon dicht. Dat weet ze héél zeker. ‘Bel Van Beveren dan op!’, roept Fleur Enno nog na, terwijl ze zuchtend naar de rotzooi om zich heen kijkt.
De volgende ochtend, als Fleur terugkomt van school, ligt er een briefje op tafel: Jammer dat je twijfelt aan mijn verhaal. Ik ben terug naar Amsterdam. X Chantal. ‘Stomme trut’, mompelt Fleur. Eerst hier de boel in de war schoppen en dan doodleuk vertrekken, alsof er niets gebeurd is. Lang tijd om na te denken heeft Fleur niet. De telefoon gaat. Zonder nadenken pakt Fleur hem op en zegt haar naam. Aan de andere kant van de lijn klinkt gehijg. Getver, een hijger? Fleur wil de telefoon uitdrukken, als ze een stem hoort brommen: ‘Ik moet Van Zanten spreken. Snel.’ Voordat Fleur iets kan zeggen, heeft de beller opgehangen. Rustig blijven. Kalm ademhalen. Even goed nadenken. Fleur twijfelt. Wat ze zal doen? Dan staat ze op en loopt met snelle passen naar het buurhuis. Ze moet Florian spreken, hij kan haar wel helpen. Hij heeft vast een verklaring voor dit mysterieuze telefoontje. Vrouw Pasman zit met een dikke jas aan op de veranda van het najaarszonnetje te genieten. Ze steekt haar hand op, als ze Fleur ziet. ‘Kom der ’s gezelleg biej zitten, deerntje. Ie bunt zo wit um de neuze. Net o’j spoken ezene hebt.’ Fleur doet wat haar gezegd wordt en vraagt dan: ‘Is Florian thuis?’ ‘Nee, dén is vanmonn vrog vertrokken. Hee dee ’n betjen geheimzinneg. Ik zoog ’m samen met dee vriendinne van oe in de auto vot gaon. Ie waarn net weg met de kinder. We’j door heemaols niks vanaf? Vremd!’ Fleur krijgt het plotseling heel warm. Ze moet zich stevig vasthouden aan de stoelleuning om niet flauw te vallen. Wat zei vrouw Pasman net precies? Florian weg met Chantal? In allerijl vertrokken? Zodat zij ze niet zou zien? ‘Rustig blijven, Fleur’, spreekt Fleur zichzelf moed in. ‘Er is vast een logische verklaring voor.’ ‘Wil ie misschien ’n glaesken water?’ vraagt vrouw Pasman bezorgd. Fleur knikt. Ze wil opstaan om het zelf te pakken. Dan ziet ze alleen nog vlekken voor haar ogen. Even later is het zwart om haar heen.
(wordt vervolgd)
Tekst: Margriet van Buren Illustratie: Elly Overberg





